Nieuw erfgoeddecreet Bourgeois: te vrijblijvend – Bescherming van ons erfgoed kan niet op vrijwillige basis

erfgoedHet nieuwe erfgoeddecreet diende zich aanvankelijk aan als het langverwachte instrument voor een geïntegreerd erfgoedbeleid en een nieuwe kijk op ruimtelijke ontwikkeling.

Wij Vlamingen ontlenen voor een groot stuk onze identiteit aan ons erfgoed en de verhalen die eraan verbonden zijn. Het nieuwe erfgoeddecreet zou dan ook garant (moeten) staan voor een ruimtelijke kwaliteit die terug gemeenschapsvormend werkt. Terug meer aandacht voor inleving en herkenning dus in plaats van vervreemding en confrontatie.

Het decreet mist bijna letterlijk die historische kans, blijft steken in algemeenheden en gaat vooral uit van veel goede wil. Maar met alleen goede bedoelingen red je geen monument van de sloophamer.

Bescherming van ons erfgoed kan niet op vrijwillige basis

Het ’traditionele’ beschermingsbeleid wordt via dit decreet verder ontmoedigd en voor advies wordt vooral gekeken naar de Vlaamse Inventaris voor Onroerend Erfgoed (VIOE).

Het in kaart brengen van het lokaal erfgoed onder de vorm van een wetenschappelijke inventaris is weliswaar een uitstekend instrument gebleken om gebouwen en bouwkundige gehelen naar waarde te schatten. Het probleem is echter dat deze indrukwekkende inventaris zijn doel voorbij schiet door veel te ruim te willen zijn. Alles met een minimale leeftijd en enigszins afwijkend uitzicht wordt opgenomen, wat mee het gezag ervan ondermijnt.

De VIOE verschaft daarenboven nauwelijks een juridische basis om het opgenomen erfgoed van afbraak te vrijwaren. De beweerde ‘vrijwaring’ verschilt immers sterk van een bescherming als monument waarvoor wel strikte juridische bepalingen gelden.

Met andere woorden: het niet-beschermde Vlaamse erfgoed wordt de facto vogelvrij verklaard. Door de ‘klassieke beschermingsprocedures’ te beknotten en te rekenen op een bewustwording van onderuit, ging de laatste jaren dan ook al heel wat erfgoed tegen de vlakte.

Responsabilisering lokale overheden: afschuiven van verantwoordelijkheden?

Het klopt dat in het verleden teveel werd gefocust op het ‘esthetisch aspect’ van het geïnventariseerde erfgoed zonder rekening te houden met de lokale waarde.

Aan relicten die in kleinere steden en gemeenten vaak op één hand te tellen zijn, moet een andere waarde toegekend worden dan aan stijlgenoten in grootsteden zoals bijvoorbeeld Gent en Antwerpen waar er nu eenmaal een pak meer van staan.

Het decreet wil steden en gemeenten daarom terecht meer verantwoordelijkheid en inspraak geven door een lokaal erfgoedbeleid te stimuleren. Maar ook hier blijft alles steken in vooral veel goede bedoelingen zonder het concreet implementeren van een na te streven erfgoedstandaard.

Onder de Vlaamse steden en gemeenten zullen bovendien steeds goede en slechte leerlingen zitten. De (reeds van voor het decreet) gekende erfgoedgemeenten zullen dit zien als een opportuniteit. Andere zullen erfgoed blijven beschouwen als budgettaire last waardoor ze hun erfgoedinventaris beperken.

Archeologisch erfgoed beter beschermd dankzij … ‘Conventie van La Valetta’, niet dankzij Bourgeois

In onze Vlaamse binnensteden kun je bij wijze van spreken geen steen opheffen of er zitten wel archeologische restanten onder. Vaak moet de dienst archeologie met een minimum aan middelen in een race tegen de klok gewoon redden wat er te redden valt.

Gelukkig is het nieuwe erfgoeddecreet op vlak van archeologisch erfgoed heel wat concreter dan de overige bepalingen die via uitvoeringsbesluiten verder gepreciseerd moeten worden. Dit is evenwel in eerste instantie vooral dankzij de implementatie van de Conventie van La Valetta of het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Deze Conventie werd door België ondertekend op 30 januari 2002 en geratificeerd op 8 oktober 2010.

Het decreet beveelt – in lijn met de Conventie – zoveel mogelijk het behoud ‘in situ’ als ideaaloplossing. Het is echter maar de vraag in hoeverre er in de praktijk ook gekeken zal worden naar een kwalitatieve integratie. Erfgoed is immers geen curiosum dat – als het even uitkomt – kan ingeschakeld worden in een vernieuwingsideaal van staal, glas en beton.

Conclusie: nieuw erfgoeddecreet is veel te vrijblijvend

Wat een van de voornaamste pijlers van het nieuwe Vlaamse decreet moest worden, nl. het zichtbaarder maken van erfgoed en de integratie ervan in de ruimtelijke structuur, zal in de praktijk een ‘lastig’ advies blijken. Meer zelfs lijkt het erop dat erfgoed zich vergaloppeert in een hoofdzakelijk adviserende rol, zonder daaraan de noodzakelijke resultaatsverbintenissen te koppelen. Erfgoedzorg blijft m.a.w. goeddeels een vrije keuze, ook in de responsabilisering van steden en gemeenten. Wat dat laatste betreft vrezen erfgoeddeskundigen het ontstaan van belangrijke geografische hiaten omdat de taakverdeling tussen Vlaanderen en een ‘onroerend erfgoedgemeente’ onvoldoende duidelijk is.

Veel lokale beleidsmakers beschouwen erfgoed nog al te vaak als een vervelend obstakel in de realisatie van hun stedenbouwkundige vernieuwingsprojecten. De ruimtelijke planning is daarbij vaak tegengesteld aan een goed erfgoedbeleid. Een kwalitatieve integratie in de ruimtelijke structuur kan er dan ook slechts komen door een respectvollere visie op de verhouding tussen erfgoedbeleid en de heersende hedendaagse architectuuropvattingen, zoals bv. in Nederland en Duitsland wel (steeds meer) de norm is.

Vlaanderen blijft hopeloos achterop hinken

Ons erfgoed vormt geen obstructie maar een verrijking mits een kwalitatief geïntegreerde beleidsvisie met een evenredige verantwoordelijkheid in de uitvoering ervan door de lokale overheden.

Ik blijft in elk geval van mening dat ons erfgoed nog onvoldoende wordt beschermd. Een modern onroerend erfgoedbeleid mag zich inderdaad niet beperken tot het klassieke beschermingsinstrumentarium, maar daar begint het uiteraard wel mee.

Wanneer we het aantal beschermde monumenten in Vlaanderen en Nederland vergelijken, zien we dat Vlaanderen hopeloos achterop blijft hinken. Vlaanderen telt iets meer dan 11.000 beschermde gebouwen, terwijl Nederland ongeveer 62.000 rijksmonumenten heeft.

Het huidige decreet zal daar nauwelijks iets aan veranderen omdat het voorbij gaat aan de vraag waarom we ons erfgoed willen beschermen; wat erfgoed maatschappelijk te betekenen heeft.

Als erfgoed gemeenschapsvormend werkt, dan zijn er ook hier zowel (exploitatie)rechten als plichten aan verbonden en moet er vooral gekeken worden naar een zo goed mogelijke maatschappelijke integratie. Een geïntegreerde aanpak betekent geen vrijblijvend, maar vooral een respectvol beleid dat voortbouwt op en aansluit bij de rijke geschiedenis van onze steden en gemeenten.

De huidige minimalistische opvatting vervat in dit decreet ligt momenteel dan ook terecht onder vuur van erfgoedwachters en monumentenzorgers die de blijvende politieke roekeloosheid stilaan ondraaglijk gaan vinden.

Peter Pauwels
www.peterpauwels.be