Zuid-Afrika: stroperij blijft bedreiging voor wildbestand

Mensen die na een opleiding hun boterham met sober beleg proberen te verdienen als wildbewaarder in een van de vele goed onderhouden parken waarin Zuid-Afrika een indrukwekkende verscheidenheid aan wildspecies, van heel klein tot reuzegroot, voor de komende geslachten probeert te bewaren, zitten al vanaf mijn eerste bezoek in oktober 1982, met de handen in het haar omdat, ongeacht wie er over die republiek ter grootte van 37 X belgique de plak zwaait, de plaag van de wildstroperij maar niet aflaat. Over alle regimewissels en dreigementen met zware straffen heen, drijft de jacht op kostbaar ivoor en ingebeelde remedies tegen impotentie, avonturiers bij nacht en ontij op pad om in een van die parken nog maar eens een renoster  (neushoorn) of een olifant van hun slagtanden of hun hoorn te beroven en de rest van hun machtige lijven als onbruikbaar achter te laten voor hyena’s en gieren en andere aaseters.

Het hoeft de lezer niet te verbazen dat, als zo’n roekeloos avontuur eens fataal afloopt, omdat de viervoeters drastisch aan zelfverdediging gaan doen, na melding in de pers van zo’n dodelijke afloop, de sympathie van de lezers zo goed als unaniem naar de dierlijke zelfverdediger uitgaat en niét naar de avonturier die in dat dierenrijk niks te zoeken had, omdat hij daar niet heen was gegaan om te genieten, zoals die miljoenen toeristen, maar om te vernietigen. Op donderdag 21 oktober laatstleden werd in de media gemeld dat in de Krugerwildtuin, die een flink stuk groter is dan ons eigen dierbaar (?) vaderland, nog zo’n slachtoffer van zijn eigen onbezonnenheid was aangetroffen, dat door een olifant was vertrapt. Wildbewaarders kwamen op een spoor in het zand uit, waaruit zij konden opmaken dat mensen een zwaar voorwerp hadden gedragen, wellicht het lichaam van hun spitsbroeder, dat zij hadden moeten achterlaten om zelf op de vlucht te gaan voor dreigende olifanten-represailles. Met opluchting wist de opzichter te melden in omgeving geen wapens waren gevonden en ook geen sporen van stroperij, de schier onuitroeibare plaag die de ‘reuzen van Kruger’ met uitsterven bedreigt.

De directie van de Krugerwildtuin heeft nog maar eens ter waarschuwing van de stropers laten horen dat jagen in de wildtuin niet alleen onwettig is, maar ook altijd gevaarlijk: ‘Misdadigers kan nie net hul vryheid verloor nie, maar ook hul lewe’. Lezers winden er geen doekjes om en maken er weinig woorden aan vuil. Geef die olifant een Bells (whisky), schrijft de ene en een andere gunt de dikhuid een likeur Amarula. Dan schrijft er een dat hij dankbaar is dat geen Dier bezeerd of dood is en ene Magda betreurt zowaar dat niet meer stropers getrapt zijn. Kort en pittig Afrikaans klinkt dit korte compliment: ‘Mooi so Oupoot, goeie werk!’ Van weer een van die vele andere reageerders krijgt Meneer Olifant een medaille. Ik moest bij lezing spontaan terugdenken aan wat ik in mijn wilde jeugd zo vaak te horen had gekregen van mijn Moeder zaliger als ik iets had mispeuterd en mij dat slecht bekomen was: ’t Is wel besteed. Ik heb in de Krugerwildtuin en in andere wildparken veel olifanten mogen bewonderen en soms van (misschien te) dichtbij en vond dat een ware wonne, zeg ik bij deze met een in onbruik geraakt brokje taaleigen.          

Geef een reactie